K.B. 6 JULI 1997
K.B. 14 OKTOBER 1998
WET 15 JANUARI 1999
K.B. 28 FEBRUARI 1999
K.B. 19 MAART 1999
WET 20 DECEMBER 2001
WET VAN 7 JANUARI 2002 betreffende de schadeloosstelling van de leden van de Joodse Gemeenschap van België voor hun goederen die werden geplunderd of achtergelaten tijdens de oorlog 1940-1945 (B.S., 24 januari 2002).
K.B. 13 MAART 2002
tot vaststelling van de datum van inwerkingtreding van de wet van 20 december 2001 betreffende de schadeloosstelling van de leden van de Joodse Gemeenschap van België voor hun goederen die werden geplunderd of achtergelaten tijdens de oorlog 1940-1945
K.B. 13 MAART 2002
tot bepaling van de nadere regels voor de indiening van aanvragen tot schadeloosstelling in uitvoering van artikel 7, § 2, van de wet van 20 december 2001 betreffende de schadeloosstelling van de leden van de Joodse Gemeenschap van België voor hun goederen die werden geplunderd of achtergelaten tijdens de oorlog 1940-194
AKB VAN 2 AUGUSTUS 2002
KB VAN 4 SEPTEMBER 2002

 
 

Voor de regelgeving betreffende de Commissie voor de schadeloosstelling en de aanvragen tot
schadeloosstelling, verwijzen wij u naar de website van de Eerste Minister, onder de rubriek
"Commissie schadeloosstelling Joodse Gemeenschap".

 
 
 
 
 
 
 
 
K.B. 6 JULI 1997 (Diensten van de Eerste Minister)
zoals gewijzigd bij K.B. van 28 oktober 1997 

Koninklijk besluit tot oprichting van een Studiecommissie aangaande het lot van de door de leden van de Joodse gemeenschap in BelgiŽ achtergelaten bezittingen bij hun deportatie tijdens de oorlog 1940-1945 (Belgisch Staatsblad van 12 juli 1997)  
 
 

Artikel 1. Bij de Diensten van de Eerste Minister wordt een Studiecommissie opgericht betreffende het lot van de bezittingen van de leden van de Joodse gemeenschap van BelgiŽ, geplunderd of achtergelaten tijdens de oorlog 1940-1945, hierna genoemd de ęCommissieĽ.
Haar opdracht bestaat erin alle opzoekingswerk te verrichten om opheldering te brengen over het lot van de in die omstandigheden achtergelaten bezittingen en de Regering daarover verslag uit te brengen binnen de twee jaren die volgen op haar oprichting.
Zij zal eerste tussentijds verslag uitbrengen binnen de zes maanden.
Wanneer, bij het verstrijken van die twee jaar, zou blijken dat het nodig is dat de Commissie haar werkzaamheden voortzet, kan haar opdracht verlengd worden voor een nieuwe periode van twee jaar.

Art. 2. De Commissie telt 13 leden, door Ons benoemd op voordracht van de Eerste Minister, te weten:
een voorzitter;
vijf hoge ambtenaren die respectievelijk de departementen Justitie, Buitenlandse Zaken, Buitenlandse handel en Ontwikkelingssamenwerking, FinanciŽn, Economische Zaken en Sociale Zaken, Volksgezondheid en Leefmilieu (Dienst voor Oorlogsslachtoffers) vertegenwoordigen, op voorstel van de bevoegde Minister;
een emeritus magistraat;
twee historici;
vier vertegenwoordigers van de Joodse organisaties in BelgiŽ.
De leden zijn benoemd voor de duur van de opdracht van de Commissie.

Art. 3. Het secretariaat van de Commissie wordt waargenomen door personeel dat door de Eerste Minister ter beschikking gesteld wordt, of zo nodig, door andere Regeringsleden.
De werkingskosten van de Commissie worden gedragen door de begroting van de Eerste Minister.
De leden en de deskundigen hebben recht op de terugbetaling van hun reis- en verblijfskosten.
Het bedrag van hun vergoeding wordt door Ons bepaald.

Art. 4. Binnen de maand na haar installatie stelt de Commissie een huishoudelijk reglement op dat zij ter goedkeuring voorlegt aan de Eerste Minister.
Zij kan zich laten bijstaan door eender welke deskundige of hem horen en eender welke studie laten uitvoeren die nodig is voor haar opdracht.
De leden en de deskundigen zijn gehouden aan de vertrouwelijkheid van de persoonlijke inlichtingen die in het kader van de werkzaamheden van de Commissie ingewonnen worden.
De Commissie kan, via haar Voorzitter, van alle openbare diensten of financiŽle of bankinstellingen de mededeling eisen van de inlichtingen of de documenten opvragen die nodig zijn voor haar opdracht.

BEGIN

 
 
 
 
 
 
K.B. 14 OKTOBER 1998 (Ministerie van Economische Zaken) 

Koninklijk besluit houdende de oprichting bij het Ministerie van Economische Zaken van een cel ter recuperatie van goederen die in de loop van de Tweede Wereldoorlog in BelgiŽ werden geroofd (Belgisch Staatsblad van 9 april 1999)
 
 
 

Artikel 1. In de schoot van de diensten van het Ministerie van Economische Zaken wordt een cel opgericht die belast is met de recuperatie van de goederen die in BelgiŽ werden geroofd in de loop van de Tweede Wereldoorlog.
Onze Minister van Economie wordt aangesteld om de belangen van de Belgische Staat te vertegenwoordigen in de procedures die hiertoe noodzakelijk zijn.

Art. 2. De cel bedoeld in artikel 1, zegt aan de Onderzoekscommissie met betrekking tot het lot van de goederen van de leden van de Joodse Gemeenschap in BelgiŽ die tijdens de Tweede Wereldoorlog geroofd werden, haar steun toe inzake expertise en documentatie.

Art. 3. De werking van de cel recuperatie van geroofde goederen wordt verzekerd door het personeel van de diensten van het Bestuur Economische Betrekkingen van het Ministerie van Economische Zaken.
De kosten van de werking van de cel zijn ten laste van het budget van het Ministerie van Economische Zaken.

 

BEGIN

 
 
 
 
 
 
WET 15 JANUARI 1999 (Ministerie van Justitie)
 
Wet betreffende de Studiecommissie betreffende het lot van de bezittingen van de leden van de Joodse gemeenschap van BelgiŽ, geplunderd of achtergelaten tijdens de oorlog 1940-1945 (Belgisch Staatsblad van 12 maart 1999)
 
 
 

Artikel 1. Deze wet regelt een aangelegenheid als bedoeld in artikel 78 van de Grondwet.

Art. 2. Bij de diensten van de eerste minister wordt opgericht een ę Studiecommissie betreffende het lot van de bezittingen van de leden van de Joodse gemeenschap van BelgiŽ, geplunderd of achtergelaten tijdens de oorlog 1940-1945 Ľ, hierna ę de Studiecommissie Ľ genoemd.
Haar opdracht bestaat erin alle opzoekingswerk te verrichten om opheldering te brengen over het lot van de in die omstandigheden achtergelaten bezittingen en de regering daarover verslag uit te brengen binnen twee jaar volgend op haar oprichting. Zij brengt een eerste tussentijds verslag uit binnen zes maanden.

Art. 3. Het mandaat van de Studiecommissie kan eventueel door de Koning worden verlengd voor een periode van twee jaar indien bij het verstrijken van de twee jaar, conform artikel 2, tweede lid, zou blijken dat het nodig is dat de Studiecommissie haar werkzaamheden voortzet.

Art. 4. De Studiecommissie kan de verwerkingen van persoonsgegevens verrichten welke noodzakelijk zijn voor de uitvoering van haar opdracht omschreven in artikel 2.
Zij kan inzonderheid een gegevensbank oprichten betreffende de personen die het slachtoffer zijn geweest van de anti-joodse maatregelen genomen door de Duitse autoriteiten.
Zij heeft tevens toegang tot het rijksregister van de natuurlijke personen en kan het identificatienummer van bedoeld register gebruiken binnen de grenzen, onder de voorwaarden en voor de doelstellingen die de Koning bij een in Ministerraad overlegd besluit en na advies van de Commissie voor de bescherming van de persoonlijke levenssfeer bepaalt.
De ingewonnen persoonsgegevens worden na beŽindiging van de werkzaamheden van de Studiecommissie bezorgd aan de regering die na het advies van de Commissie voor de bescherming van de persoonlijke levenssfeer te hebben ingewonnen, over de bestemming ervan beslist.

Art. 5. Niettegenstaande enige andere wetsbepaling kan de Studiecommissie door toedoen van haar voorzitter, bij alle openbare overheden alsook bij alle instellingen voor privaatrecht mededeling verkrijgen van alle gegevens en stukken die nuttig zijn voor de tenuitvoerlegging van haar opdracht.

Art. 6. Met opsluiting van vijf tot tien jaar wordt gestraft eenieder die documenten of andere dragers van gegevens, die de Studiecommissie kan gebruiken bij het vervullen van haar opdracht, doet verdwijnen, vernietigt, naar het buitenland overbrengt of laat overbrengen of de raadpleging ervan bemoeilijkt.

Art. 7. De Koning bepaalt de nadere regels inzake de samenstelling en de werking van de Studiecommissie.

Art. 8. Het koninklijk besluit van 6 juli 1997 tot oprichting van een Studiecommissie betreffende het lot van de bezittingen van de leden van de Joodse gemeenschap van BelgiŽ, geplunderd of achtergelaten tijdens de oorlog 1940-1945, gewijzigd bij het koninklijk besluit van 28 oktober 1997, wordt opgeheven.

Art. 9. Deze wet heeft uitwerking met ingang van 12 juli 1997.

 

BEGIN

 
 
 
 
 
 
K.B. 28 FEBRUARI 1999 (Diensten van de Eerste Minister en Ministerie van Justitie)
 
Koninklijk besluit betreffende de samenstelling en de werking van de Studiecommissie betreffende het lot van de bezittingen van de leden van de Joodse gemeenschap van België, geplunderd of achtergelaten tijdens de oorlog 1940-1945 (Belgisch Staatsblad van 12 maart 1999))
 
 
 

Artikel 1. De bij de Diensten van de Eerste Minister opgerichte Studiecommissie betreffende het lot van de bezittingen van de leden van de Joodse gemeenschap van België, geplunderd of achtergelaten tijdens de oorlog 1940-1945, hierna genoemd "de Commissie", bestaat uit dertien leden, door Ons benoemd op voordracht van de Eerste Minister, te weten:
- een Voorzitter;
- vijf hoge ambtenaren die respectievelijk de departementen Justitie, Buitenlandse Zaken, Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking, Financiën, Economische Zaken en Sociale Zaken, Volksgezondheid en Leefmilieu (Dienst voor Oorlogsslachtoffers) vertegenwoordigen, op voorstel van de bevoegde Minister;
- een emeritus magistraat;
- twee historici;
- vier vertegenwoordigers van de Joodse organisaties in België
De leden zijn benoemd voor de duur van de opdracht van de Commissie.

Art. 2. Het secretariaat van de Commissie wordt waargenomen door personeel dat door de Eerste Minister, of zo nodig, door andere Regeringsleden ter beschikking wordt gesteld.
De werkingskosten van de Commissie zijn ten laste van de begroting van de Eerste Minister.
De leden en de deskundigen hebben recht op de terugbetaling van hun reis- en verblijfkosten.
Het bedrag van hun vergoeding wordt door Ons bepaald.

Art. 3. Uiterlijk een maand na haar installatie stelt de Commissie een huishoudelijk reglement op dat zij ter goedkeuring voorlegt aan de Eerste Minister.
Zij kan zich laten bijstaan door iedere deskundige en iedere studie laten uitvoeren die nodig is voor haar opdracht.

Art. 4. De leden, de deskundigen en het personeel ter beschikking gesteld van de Commissie zijn gehouden tot de vertrouwelijkheid van de persoonlijke inlichtingen ingewonnen in het kader van de werkzaamheden van de Commissie.

Art. 5. Artikel 4 doet evenwel geen afbreuk aan de mogelijkheid van de Commissie om :

- aan de hand van de gepaste middelen de identificatiegegevens te verspreiden die strekken tot de opsporing van de personen die het slachtoffer zijn geworden van de anti-joodse maatregelen genomen door de Duitse autoriteiten of van hun rechthebbenden, indien het niet mogelijk is geweest hen anderszins terug te vinden;

- aan de personen die het slachtoffer zijn geworden van de anti-joodse maatregelen genomen door de Duitse autoriteiten of aan hun rechthebbenden de over hen ingewonnen inlichtingen mede te delen, met uitzondering van de inlichtingen die de persoonlijke levenssfeer van andere natuurlijke personen zouden kunnen schenden.

Art. 6. Het koninklijk besluit van 7 juli 1997 tot benoeming van de leden van de Studiecommissie betreffende het lot van de bezittingen van de leden van de Joodse gemeenschap van België, geplunderd of achtergelaten tijdens de oorlog 1940-1945, de koninklijke besluiten van 28 oktober 1997, 2 april 1998 en 10 augustus 1998 tot wijziging ervan, en het koninklijk besluit van 8 september 1997 tot vaststelling van de bezoldigingen en de vergoedingen voor reis- en verblijfkosten van de leden en de deskundigen van de Studiecommissie aangaande het lot van de door de leden van de Joodse gemeenschap in België achtergelaten bezittingen bij hun deportatie tijdens de oorlog 1940-1945, worden bevestigd op de data van inwerkingtreding, hetzij respectievelijk 12 juli 1997, 25 november 1997, 7 april 1998, 19 september 1998 en 12 juli 1997.

Art. 7. In het opschrift en in de artikelen 1 en 3 van het koninklijk besluit van 8 september 1997 tot vaststelling van de bezoldigingen en van de vergoedingen voor voor reis- en verblijfskosten van de leden en de deskundigen van de Studiecommissie aangaande het lot van de door de leden van de Joodse gemeenschap in België achtergelaten bezittingen bij hun deportatie tijdens de oorlog 1940-1945, wordt de benaming van de bedoelde commissie vervangen door de volgende benaming: "Studiecommissie betreffende het lot van de bezittingen van de leden van de Joodse gemeenschap van België, geplunderd of achtergelaten tijdens de oorlog 1940-1945".

Art. 8. De artikelen 1 tot 4 van dit besluit hebben de uitwerking met ingang van 12 juli 1997. Het mandaat van de vierde vertegenwoordiger van de Joodse organisaties in België is evenwel slechts opgericht op de datum van 25 november 1997.
De andere bepalingen treden in werking de dag waarop dit besluit in het Belgisch Staatsblad wordt bekendgemaakt.

Art. 9. Onze Ministers en Onze Staatssecretarissen zijn, ieder wat hem betreft, belast met de uitvoering van dit besluit.

 

BEGIN

 
 
 
 
 
 
K.B. 19 MAART 1999 (Diensten van de Eerste Minister, Ministerie van Binnenlandse Zaken en Ministerie van Justitie)
 
Koninklijk besluit waarbij aan de Studiecommissie betreffende het lot van de bezittingen van de leden van de Joodse gemeenschap van België, geplunderd of achtergelaten tijdens de oorlog 1940-1945 toegang wordt verleend tot het Rijksregister van de natuurlijke personen en machtiging wordt verleend het identificatienummer van dat register te gebruiken (Belgisch Staatsblad van 30 april 1999)
 
 
 

Artikel 1. Aan de Studiecommissie betreffende het lot van de bezittingen van de leden van de Joodse gemeenschap van België, geplunderd of achtergelaten tijdens de oorlog 1940-45 die is opgericht bij de Diensten van de Eerste Minister, wordt binnen de grenzen, onder de voorwaarden en ten behoeve van de doelstellingen omschreven in de artikelen 2 tot 4 :
1į toegang verleend tot de gegevens bedoeld in artikel 3, eerste lid, 1į tot 6į en 8į, en tweede lid van de wet d.d. 8 augustus 1983 tot regeling van een Rijksregister van de natuurlijke personen;
2į machtiging verleend om het identificatienummer van voornoemd register te gebruiken.
De toegang en het gebruik bedoeld in het eerste lid zijn toegestaan :
a) aan de voorzitter en aan de leden van de commissie die door hem zijn aangewezen;
b) aan de historici en de ambtenaren van niveau 1 die de Diensten van de Eerste Minister en andere ministeries ter beschikking stellen van de Commissie.

Art. 2. De gegevens verkregen op grond van artikel 1, eerste lid, 1į, mogen uitsluitend worden aangewend voor de tenuitvoerlegging van de onderzoeksopdracht van de Commissie.
Zij mogen niet aan derden worden meegedeeld.
In verband met de toepassing van het eerste lid worden volgende personen en instanties niet als derden beschouwd :
1į de natuurlijke personen op wie de gegevens betrekking hebben, alsook hun wettelijke vertegenwoordigers en hun rechthebbenden;
2į de openbare overheden en de instellingen aangewezen op grond van artikel 5 van voornoemde wet van 8 augustus 1983.

Art. 3. De personen bedoeld in artikel 1, tweede lid, kunnen het identificatienummer van het Rijksregister van de natuurlijke personen in hun bestanden en repertoria alleen als identificatienummer gebruiken :
1į voor interne beheersdoeleinden;
2į in hun relaties met de openbare overheden en instellingen aan wie de machtiging bedoeld in artikel 8 van voornoemde wet van 8 augustus 1983 ook is verleend.

Art. 4. De lijst van personen bedoeld in artikel 1, tweede lid, met vermelding van hun functie en eventueel hun graad, wordt aan de Commissie voor de bescherming van de persoonlijke levenssfeer bezorgd.
Het identificatienummer van het Rijksregister van de natuurlijke personen mag niet worden gereproduceerd op stukken die ter kennis van andere derden dan de overheden en instellingen bedoeld in dit besluit mogen worden gebracht.

Art. 5. Onze Eerste Minister, Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Onze Minister van Justitie, zijn ieder wat hem betreft, belast met de uitvoering van dit besluit.

 

BEGIN

 
 
 
 
 
 
WET 20 DECEMBER 2001 (Federale Overheidsdienst Kanselarij en Algemne diensten, Ministerie van Justitie en Ministerie van Financien)
 
Wet betreffende de schadeloosstelling van de leden van de Joodse Gemeenschap van België voor hun goederen die werden geplunderd of achtergelaten tijdens de oorlog 1940-1945 (Belgisch Staatsblad van 7 januari 2002)
 
 
 

ALBERT II, Koning der Belgen,
Aan allen die nu zijn en hierna wezen zullen, Onze Groet.
De Kamers hebben aangenomen en Wij bekrachtigen hetgeen volgt :
HOOFDSTUK I. - Algemene bepaling
Artikel 1. Deze wet regelt een aangelegenheid als bedoeld in artikel 78 van de Grondwet.
HOOFDSTUK II. - De Commissie voor de schadeloosstelling van de leden van de Joodse Gemeenschap van België voor hun goederen die werden geplunderd of achtergelaten tijdens de oorlog 1940-1945
Art. 2. § 1. Er wordt bij de Diensten van de Eerste minister een Commissie opgericht voor de schadeloosstelling van de leden van de Joodse Gemeenschap van België voor hun goederen die werden geplunderd of achtergelaten tijdens de oorlog 1940-1945, hierna te noemen « de Commissie ».
De Commissie onderzoekt en beslist over de aanvragen tot schadeloosstelling onder de voorwaarden en volgens de regels bepaald in hoofdstuk III.
§ 2. Het mandaat van de Commissie duurt twee jaar en vangt aan op de datum van het sluiten van het in artikel 10 bedoelde protocol.
De Koning kan, bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad, het mandaat van de Commissie verlengen met twee periodes van elk maximaal één jaar.
§ 3. De Koning regelt de werking van de Commissie.
Art. 3. § 1. De Commissie is samengesteld uit vijf ambtenaren of op rust gestelde ambtenaren en omvat :
- twee Nederlandstalige leden;
- twee Franstalige leden;
- een voorzitter, die het bewijs moet hebben geleverd van de kennis van het Nederlands en het Frans overeenkomstig de wetten op het gebruik der talen in bestuurszaken, gecoördineerd op 18 juli 1966.
De voorzitter wordt aangewezen door de Koning op voorstel van de Eerste minister. De overige leden worden door Hem aangewezen op voorstel van de Minister van Buitenlandse Zaken, de Minister van Financiën, de Minister van Justitie en de Minister bevoegd voor de oorlogsslachtoffers.
§ 2. Twee vertegenwoordigers van de Joodse Gemeenschap van België nemen deel aan de vergaderingen van de Commissie, met raadgevende stem.
§ 3. Voor de voorzitter en voor ieder lid wordt, overeenkomstig de voorwaarden, bepaald in § 1, een plaatsvervanger benoemd.
§ 4. De Commissie kan in het kader van haar opdracht een beroep doen op deskundigen om de adviezen in te winnen die zij nuttig acht.
Art. 4. Een secretariaat wordt ter beschikking gesteld van de Commissie. De Koning bepaalt de samenstelling, het statuut en de werkingsregels van het secretariaat.
Art. 5. De kosten verbonden aan de werkzaamheden van de Commissie en van het secretariaat zijn ten laste van de begroting van de Eerste minister.
De Koning bepaalt het bedrag van de presentiegelden en reiskosten, toegekend aan de voorzitter, de leden en de deskundigen van de Commissie.
HOOFDSTUK III. - Aanvragen tot schadeloosstelling en verwerking van die aanvragen
Art. 6. § 1. Kan een aanvraag tot schadeloosstelling indienen, elke persoon die aan de volgende voorwaarden voldoet :
1° zijn verblijfplaats gehad hebben in België op om het even welk ogenblik tijdens de periode van 10 mei 1940 tot 8 mei 1945;
2° in België beroofd zijn van goederen waarvan hij eigenaar was of ze hebben moeten achterlaten ten gevolge van een anti-Joodse maatregel van de Duitse bezettende overheid of ten gevolge van daden van antisemitische aard begaan door dezelfde overheid tijdens dezelfde periode.
§ 2. Voor de toepassing van § 1 wordt verstaan onder goederen die werden geplunderd of die de personen bedoeld in § 1 hebben moeten achterlaten, financiële tegoeden en goederen waarvan die personen eigenaar waren en :
1° die niet werden teruggegeven door de Staat, de financiële instellingen of de verzekeringsmaatschappijen en evenmin aanleiding hebben gegeven tot enige schadeloosstelling, vergoeding of herstelling;
2° en die geïdentificeerd geweest zijn in het verslag van de Studiecommissie, opgericht bij de wet van 15 januari 1999 betreffende de Studiecommissie betreffende het lot van de bezittingen van de leden van de Joodse gemeenschap van België, geplunderd of achtergelaten tijdens de oorlog 1940-1945, of die geïdentificeerd worden in het kader van het onderzoek van de aanvraag door de Commissie.
De Koning kan, bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad, het toepassingsgebied van het vorige lid uitbreiden tot andere sectoren, op basis van het verslag van de Commissie opgericht bij de voornoemde wet van 15 januari 1999.
§ 3. Indien de in § 1 bedoelde persoon overleden is, kunnen de rechthebbenden tot de eerste, tweede en derde graad in de zin van de artikelen 737 tot 744 van het Burgerlijk Wetboek, een schadeloosstelling aanvragen mits de in de §§ 1 en 2 bepaalde voorwaarden vervuld zijn en zij van hun hoedanigheid doen blijken overeenkomstig de regels van het gemene recht.
Art. 7. § 1. De aanvraag tot schadeloosstelling wordt binnen een termijn van één jaar na de inwerkingtreding van deze wet, bij ter post aangetekende brief toegestuurd aan de voorzitter van de Commissie en is vergezeld van alle nuttige stukken. Ze bevat de volgende elementen :
1° naam, voornamen, woonplaats en nationaliteit van de verzoeker en, eventueel, naam, voornamen, woonplaats en hoedanigheid van zijn wettelijke vertegenwoordiger;
2° een korte beschrijving van de omstandigheden waarin de goederen werden geplunderd of waarin de eigenaars die hebben moeten achterlaten;
3° de zo volledig mogelijke beschrijving van de goederen en van de plaats waar ze zich toen bevonden en waar ze zich thans bevinden;
4° de verklaring dat voor de goederen geen teruggave, vergoeding, schadeloosstelling of herstel heeft plaatsgevonden.
De aanvraag moet worden gedagtekend en ondertekend en eindigen met de woorden : « Ik bevestig op mijn eer dat deze verklaring oprecht en volledig is. ».
§ 2. De Koning kan de nadere regels verduidelijken voor de indiening van de in § 1 bedoelde aanvraag, alsook de andere procedureregels bij de Commissie.
Art. 8. § 1. De Commissie kan alle nuttige onderzoeken uitvoeren of gelasten teneinde de oprechtheid van de aanvraag tot schadeloosstelling na te gaan. Het resultaat is uitsluitend bestemd voor de procedure van onderzoek van de aanvraag en blijft gedekt door het beroepsgeheim. De Commissie kan onder meer iedere overheidsdienst, bank of verzekeringsmaatschappij verzoeken om mededeling van inlichtingen betreffende het bestaan van een tegoed, zonder dat haar het beroepsgeheim kan worden tegengeworpen.
§ 2. De Commissie kan in bijzondere gevallen tegemoetkomen aan onbillijkheden van overwegende aard, die zich naar het oordeel van de Commissie bij de toepassing van deze wet mochten voordoen.
Art. 9. § 1. De Commissie kan de verwerking van persoonsgegevens verrichten die noodzakelijk zijn voor de uitvoering van haar opdracht.
De gegevensbank betreffende de personen die het slachtoffer zijn geweest van de door de Duitse overheid genomen anti-Joodse maatregelen, die werd aangelegd door de Studiecommissie met toepassing van artikel 4 van genoemde wet van 15 januari 1999, wordt overgedragen aan de Commissie.
In afwijking van de procedure waarvan sprake in artikel 5, tweede lid, a), van de wet van 8 augustus 1983 tot regeling van een Rijksregister van de natuurlijke personen, gewijzigd bij de wet van 19 juli 1991, heeft zij eveneens toegang tot de informatie bedoeld in artikel 3, eerste lid, 1° tot 6° en 8° en tweede lid, van dezelfde wet, en kan zij het identificatienummer van het Rijksregister van de natuurlijke personen gebruiken binnen de grenzen, onder de voorwaarden en voor de doelstellingen bepaald in de volgende leden.
De toegang en het gebruik bedoeld in het voorgaande lid, zijn toegestaan :
1° aan de voorzitter en de leden van de Commissie die door hem worden aangewezen;
2° aan de leden van niveau 1 van het secretariaat.
De gegevens verkregen van het Rijksregister van de natuurlijke personen mogen uitsluitend worden aangewend voor de uitvoering van de onderzoeksopdracht van de Commissie.
Zij mogen niet aan derden worden medegedeeld.
Als derden worden niet beschouwd :
1° de natuurlijke personen op wie de gegevens betrekking hebben, alsook hun wettelijke vertegenwoordigers en hun rechthebbenden;
2° de openbare overheden en de instellingen aangewezen op grond van artikel 5 van voornoemde wet van 8 augustus 1983.
De personen, bedoeld in het vierde lid, kunnen het identificatienummer van het Rijksregister van de natuurlijke personen in hun bestanden en repertoria alleen als identificatiemiddel gebruiken :
1° voor interne beheersdoeleinden;
2° in hun relaties met de openbare overheden en instellingen aan wie de machtiging bedoeld in artikel 8 van voornoemde wet van 8 augustus 1983 ook is verleend.
De lijst van de personen die toegang tot het Rijksregister van de natuurlijke personen hebben, met vermelding van hun functie en eventueel hun graad, wordt aan de Commissie voor de bescherming van de persoonlijke levensfeer bezorgd.
Het identificatienummer van het Rijksregister van de natuurlijke personen mag niet worden overgenomen op stukken die ter kennis zouden kunnen gebracht worden van andere derden dan de overheden en instellingen die eveneens gemachtigd zijn het te gebruiken.
§ 2. De Koning bepaalt, bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad en na advies van de Commissie voor de bescherming van de persoonlijke levenssfeer, de bestemming van de gegevensbank op het einde van het mandaat van de Commissie.
HOOFDSTUK IV. - Procedure voor de betaling van de schadeloosstellingen, schuldbevrijdend karakter en storting van het saldo
Art. 10. Binnen een termijn van drie maanden na de inwerkingtreding van deze wet, wordt een protocol gesloten tussen de Nationale Commissie van de Joodse Gemeenschap van België voor de Restitutie v.z.w., de Staat, de financiële instellingen en de verzekeringsmaatschappijen, bedoeld in artikel 6, § 2, eerste lid, 1°, teneinde de bedragen en de coëfficiënt of de coëfficiënten, waarmee de geactualiseerde waarde ervan kan worden berekend, te bepalen.
Dit protocol wordt goedgekeurd door de Koning, bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad.
Deze bedragen worden gestort door de Staat, de financiële instellingen en de verzekeringsmaatschappijen, bedoeld in het eerste lid, op een bijzondere rekening die in de boeken van de Nationale Bank van België wordt geopend op naam van de Belgische Schatkist.
Art. 11. De beslissingen van de Commissie worden medegedeeld aan het Bestuur van de Thesaurie dat belast wordt met de vereffening van de overeenkomstige bedragen ten laste van de rekening bedoeld in artikel 10, derde lid.
Art. 12. Bij ontstentenis van een protocol gesloten binnen de in artikel 10 vastgelegde termijn, bepaalt de Koning, bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad, en na advies van de Nationale Commissie van de Joodse Gemeenschap van België voor de Restitutie v.z.w., de bedragen die worden gestort door de Staat, de financiële instellingen en de verzekeringsmaatschappijen bedoeld in artikel 6, § 2, eerste lid, 1°, alsook de coëfficiënt of de coëfficiënten waarmee de geactualiseerde waarde van deze bedragen kan worden berekend.
Art. 13. De stortingen bedoeld in artikel 10, derde lid, hebben een schuldbevrijdende werking voor de Staat, alsook voor de betrokken financiële instellingen en verzekeringsmaatschappijen tegenover de in artikel 6 bedoelde personen en brengen voor deze personen van rechtswege het verval mee van het recht op iedere andere aanspraak dan die bedoeld in hetzelfde artikel, in feite of in rechte, op de teruggave, de vergoeding of de schadeloosstelling voor de betrokken goederen.
Art. 14. Na afloop van het mandaat van de Commissie en de vereffening van de bedragen bedoeld in artikel 11, wordt het saldo van de bijzondere rekening bedoeld in artikel 10, derde lid, overgemaakt aan een Instelling van openbaar nut waarvan de opdrachten van sociale, culturele of religieuze aard tegemoetkomen aan de behoeften van de Joodse Gemeenschap van België. Deze opdrachten kunnen eveneens betrekking hebben op de strijd tegen het racisme, de intolerantie en de schending van de mensenrechten.
In het jaar volgend op de inwerkingtreding van deze wet kan een voorschot van dit saldo gestort worden ten gunste van de Instelling van openbaar nut.
HOOFDSTUK V. - Slotbepaling en inwerkingtreding
Art. 15. Het besluit genomen krachtens artikel 6, § 2, tweede lid, wordt opgeheven wanneer het niet binnen het jaar na zijn bekendmaking in het Belgisch Staatsblad bij wet is bekrachtigd.
Art. 16. De Koning bepaalt, bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad, de datum van inwerkingtreding van deze wet.
Kondigen deze wet af, bevelen dat zij met 's Lands Zegel zal worden bekleed en door het Belgisch Staatsblad zal worden bekendgemaakt.
Gegeven te Brussel, 20 december 2001.
ALBERT
Van Koningswege :
De Eerste Minister,
G. VERHOFSTADT
De Minister van Justitie,
M. VERWILGHEN
De Minister van Financiën,
D. REYNDERS
Gezien en met `s Lands Zegel gezegeld :
De Minister van Justitie,
M. VERWILGHEN

 

BEGIN

 
 
K.B. 13 MAART 2002
(FEDERALE OVERHEIDSDIENST KANSELARIJ EN ALGEMENE DIENSTEN, MINISTERIE VAN JUSTITIE EN MINISTERIE VAN FINANCIEN)

Koninklijk besluit tot vaststelling van de datum van inwerkingtreding van de wet van 20 december 2001 betreffende de schadeloosstelling van de leden van de Joodse Gemeenschap van België voor hun goederen die werden geplunderd of achtergelaten tijdens de oorlog 1940-1945


ALBERT II, Koning der Belgen,
Aan allen die nu zijn en hierna wezen zullen, Onze Groet.
Gelet op de wet van 20 december 2001 betreffende de schadeloosstelling van de leden van de Joodse Gemeenschap van België voor hun goederen die werden geplunderd of achtergelaten tijdens de oorlog 1940-1945, inzonderheid op artikel 16;
Gelet op het advies van de Inspecteur van Financiën, gegeven op 18 december 2001;
Gelet op de akkoordbevinding van Onze Minister van Begroting van 17 januari 2002;
Gelet op het besluit van de Ministerraad over het verzoek aan de Raad van State om advies te geven binnen een termijn van een maand;
Gelet op het advies 32.952/4 van de Raad van State, gegeven op 25 februari 2002, met toepassing van artikel 84, eerste lid, 1°, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State;
Op voordracht van Onze Eerste Minister, Onze Minister van Justitie, Onze Minister van Financiën en op het advies van Onze in Raad vergaderde Ministers,
Hebben Wij besloten en besluiten Wij :
Artikel 1. Treden in werking de dag waarop dit besluit in het Belgisch Staatsblad wordt bekendgemaakt :
1° de wet van 20 december 2001 betreffende de schadeloosstelling van de leden van de Joodse Gemeenschap van België voor hun goederen die werden geplunderd of achtergelaten tijdens de oorlog 1940-1945;
2° dit besluit.
Art. 2. Onze Eerste Minister, Onze Minister van Justitie en Onze Minister van Financiën zijn, ieder wat hem betreft, belast met de uitvoering van dit besluit.
Gegeven te Brussel, 13 maart 2002.
ALBERT
Van Koningswege :
De Eerste Minister,
G. VERHOFSTADT
De Minister van Justitie,
M. VERWILGHEN
De Minister van Financiën,
D. REYNDERS


.

 

BEGIN

 
 
 
K.B. 13 MAART 2002
(Diensten van de Eerste Minister)

Koninklijk besluit tot bepaling van de nadere regels voor de indiening van aanvragen tot schadeloosstelling in uitvoering van artikel 7, § 2, van de wet van 20 december 2001 betreffende de schadeloosstelling van de leden van de Joodse Gemeenschap van België voor hun goederen die werden geplunderd of achtergelaten tijdens de oorlog 1940-1945

 

ALBERT II, Koning der Belgen,
Aan allen die nu zijn en hierna wezen zullen, Onze Groet.
Gelet op de wet van 20 december 2001 betreffende de schadeloosstelling van de leden van de Joodse Gemeenschap van België voor hun goederen die werden geplunderd of achtergelaten tijdens de oorlog 1940-1945, inzonderheid op artikel 7, § 2;
Gelet op de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973, inzonderheid op artikel 3, § 1, vervangen bij de wet van 4 juli 1989 en gewijzigd bij de wet van 4 augustus 1996;
Gelet op de hoogdringendheid;
Overwegende dat de aanvragen tot schadeloosstelling moeten ingediend worden binnen een termijn van één jaar vanaf de inwerkingtreding van de wet van 20 december 2001 betreffende de schadeloosstelling van de leden van de Joodse Gemeenschap van België voor hun goederen die werden geplunderd of achtergelaten tijdens de oorlog 1940-1945;
Overwegende dat krachtens het koninklijk besluit van 13 maart 2002, de inwerkingtreding van voornoemde wet bepaald is op de dag waarop dat besluit in het Belgisch Staatsblad wordt bekendgemaakt en dat bijgevolg de nadere regelen voor de indiening van deze aanvragen moeten verduidelijkt zijn vanaf de inwerkingtreding van de wet;
Op voordracht van Onze Eerste Minister,
Hebben Wij besloten en besluiten Wij :
Artikel 1. Voor de toepassing van dit besluit wordt verstaan onder :
- « de wet » : de wet van 20 december 2001 betreffende de schadeloosstelling van de leden van de Joodse Gemeenschap van België voor hun goederen die werden geplunderd of achtergelaten tijdens de oorlog 1940-1945;
- « de Commissie voor de schadeloosstelling van de leden van de Joodse Gemeenschap van België » : de Commissie voor de schadeloosstelling van de leden van de Joodse Gemeenschap van België voor hun goederen die werden geplunderd of achtergelaten tijdens de oorlog 1940-1945, opgericht door artikel 2 van de wet.
Art. 2. § 1. De aanvragen tot schadeloosstelling in uitvoering van artikel 7 van de wet, worden ingediend door middel van het formulier, bepaald in bijlage van dit besluit.
Zij worden bij aangetekende brief gezonden aan de voorzitter van de Commissie voor de schadeloosstelling van de leden van de Joodse Gemeenschap van België, Wetstraat 16, 1000 Brussel.
§ 2. De aanvragen tot schadeloosstelling die al bij de Federale Overheidsdienst Kanselarij en Algemene Diensten werden ingediend op basis van het individuele aanvraagformulier opgesteld door de Studiecommissie betreffende het lot van de bezittingen van de leden van de Joodse Gemeenschap van België, geplunderd of achtergelaten tijdens de oorlog 1940-1945, zijn geldig. De Commissie voor de schadeloosstelling van de leden van de Joodse Gemeenschap van België kan bijkomende gegevens opvragen om de aanvragen tot schadeloosstelling ontvankelijk te verklaren in de zin van artikel 7 van de wet.
Art. 3. Dit besluit treedt in werking de dag waarop het in het Belgisch Staatsblad wordt bekendgemaakt.
Art. 4. Onze Eerste Minister is belast met de uitvoering van dit besluit.
Gegeven te Brussel, 13 maart 2002.
ALBERT
Van Koningswege :
De Eerste Minister,
G. VERHOFSTADT
Voor de raadpleging van de tabel, zie beeld
Gezien om te worden gevoegd bij Ons besluit van 13 maart 2002 tot bepaling van de nadere regels voor de indiening van aanvragen tot schadeloosstelling in uitvoering van artikel 7, § 2, van de wet van 20 december 2001 betreffende de schadeloosstelling van de leden van de Joodse Gemeenschap van België voor hun goederen die werden geplunderd of achtergelaten tijdens de oorlog 1940-1945.
ALBERT
Van Koningswege :
De Eerste Minister,
G. VERHOFSTADT



 
.

 

BEGIN

 
 
K.B. 2 AUGUSTUS 2002

Koninklijk besluit tot uitvoering van de artikelen 10 en 12 van de wet van 20 december 2001 betreffende de schadeloosstelling van de leden van de Joodse Gemeenschap van België voor hun goederen die werden geplunderd of achtergelaten tijdens de oorlog 1940-1945


ALBERT II, Koning der Belgen,
Aan allen die nu zijn en hierna wezen zullen, Onze Groet.
Gelet op de wet van 20 december 2001 betreffende de schadeloosstelling van de leden van de Joodse Gemeenschap van België voor hun goederen die werden geplunderd of achtergelaten tijdens de oorlog 1940-1945, inzonderheid op de artikelen 10 en 12;
Overwegende dat protocols afgesloten werden binnen de termijn voorzien in artikel 10 van de wet van 20 december 2001, tussen de Nationale Commissie van de Joodse Gemeenschap van België voor de Restitutie v.z.w., en respectievelijk de Staat en de Nationale Bank van België, en de verzekeringsmaatschappijen;
Overwegende dat na verloop van voornoemde termijn een protocol afgesloten werd tussen de Nationale Commissie van de Joodse Gemeenschap van België voor de Restitutie v.z.w. en de financiële instellingen;
Gelet op het advies van de Nationale Commissie van de Joodse Gemeenschap van België voor de Restitutie v.z.w.;
Gelet op de akkoordbevinding van Onze Minister van Begroting van 19 juni 2002;
Op de voordracht van Onze Minister van Financiën en op het advies van Onze in Raad vergaderde Ministers,
Besluit :
Artikel 1. Het protocol tot bepaling van de coëfficiënt en het bedrag van het aandeel van de Staat en de Nationale Bank van België inzake de schadeloosstelling van de leden van de Joodse Gemeenschap van België voor hun goederen die werden geplunderd of achtergelaten tijdens de oorlog 1940-1945, opgenomen in bijlage 1 bij dit besluit, wordt goedgekeurd.
Art. 2. Het protocol tot bepaling van de coëfficiënt en het bedrag van het aandeel van de verzekeringsmaatschappijen inzake de schadeloosstelling van de leden van de Joodse Gemeenschap van België voor hun goederen die werden geplunderd of achtergelaten tijdens de oorlog 1940-1945, opgenomen in bijlage 2 bij dit besluit, wordt goedgekeurd.
Art. 3. § 1. Het door de financiële instellingen te betalen bedrag beloopt 55.503.164,16 EUR. Dit bedrag wordt berekend op grond van een actualiseringscoëfficiënt van 29,10.
§ 2. Een bedrag van 53.081.416,62 EUR wordt verdeeld tussen de financiële instellingen, overeenkomstig punt 2 van het in bijlage 3 van dit besluit opgenomen protocol, en rekening houdend met de aftrek van een forfaitair bedrag van 700.000 EUR bedoeld in hetzelfde punt 2.
§ 3. In uitvoering van een vóór 30 september 2002 af te sluiten protocol tussen de Nationale Commissie van de Joodse Gemeenschap van België voor de Restitutie v.z.w. en The Royal Bank of Scotland Group of, bij gebrek, in uitvoering van dit besluit, wordt een bedrag van 1.721.747,54 EUR betaald door The Royal Bank of Scotland Group.
§ 4. De in §§ 2 en 3 bedoelde bedragen worden tegen 31 december 2002 gestort op een in de boeken van de Nationale Bank van België op naam van de Belgische Schatkist geopende rekening nummer 100-0086791-10.
Art. 4. Onze Minister van Financiën wordt belast met de uitvoering van dit besluit.
Gegeven te Punat, 2 augustus 2002.
ALBERT
Van Koningswege :
De Minister van Financiën,
D. REYNDERS

Bijlage 1
Protocol tot bepaling van de coëfficiënt en het bedrag van het aandeel van de Federale Staat en de Nationale Bank van België inzake de schadeloosstelling van de leden van de Joodse Gemeenschap van België voor hun goederen die werden geplunderd of achtergelaten tijdens de oorlog 1940-1945
Aanhef
Gelet op de wet van 20 december 2001 betreffende de schadeloosstelling van de leden van de Joodse Gemeenschap van België voor hun goederen die werden geplunderd of achtergelaten tijdens de oorlog 1940-1945, inzonderheid op artikel 10;
Gelet op het koninklijk besluit van 13 maart 2002 tot vaststelling van de datum van inwerkingtreding van de wet van 20 december 2001 betreffende de schadeloosstelling van de leden van de Joodse Gemeenschap van België voor hun goederen die werden geplunderd of achtergelaten tijdens de oorlog 1940-1945;
Gelet op het eindverslag van de Studiecommissie, opgericht bij de wet van 15 januari 1999 betreffende de Studiecommissie betreffende het lot van de bezittingen van de leden van de Joodse Gemeenschap van België, geplunderd of achtergelaten tijdens de oorlog 1940-1945;
Overwegende dat zowel het koninklijk besluit van 13 maart 2002 als de wet van 20 december 2001 in werking zijn getreden op 19 maart 2002;
Overwegende dat, overeenkomstig de bepalingen van artikel 10 van voornoemde wet, binnen een termijn van drie maanden na de inwerkingtreding van de wet, een protocol wordt gesloten tussen de Nationale Commissie van de Joodse Gemeenschap van België voor de Restitutie v.z.w., de Belgische Staat, de financiële instellingen en de verzekeringsmaatschappijen;
Dat voorliggend protocol het aandeel van de Staat bepaalt, alsook het aandeel van de Nationale Bank van België, gezien zij geen deel uitmaakt van de Belgische Vereniging der Banken, die optreedt als vertegenwoordiger van de financiële instellingen, voor wat de toepassing van artikel 10 betreft;
De Nationale Commissie van de Joodse Gemeenschap van België voor de Restitutie v.z.w., vertegenwoordigd door de heren D. SUSSKIND en E. RINGER, Medevoorzitters,
De Federale Staat, vertegenwoordigd door de heer D. REYNDERS, Minister van Financiën,
en de Nationale Bank van België, vertegenwoordigd door de heer G. QUADEN, Gouverneur,
Zijn overeengekomen hetgeen volgt :
Artikel 1. De geactualiseerde waarde van het door de Federale Staat en door de Nationale Bank van België te storten bedrag wordt bepaald middels een coëfficiënt van 24,78.
Artikel 2. Het aandeel van de Federale Staat stemt overeen met het bedrag, vermeld in het eindverslag van de Studiecommissie betreffende het lot van de bezittingen van de leden van de Joodse Gemeenschap van België, geplunderd of achtergelaten tijdens de oorlog 1940-1945, en wordt vastgesteld op 74,2 miljoen BEF (waarde 1945).
Na toepassing van de coëfficiënt, bedoeld in artikel 1, wordt het geactualiseerd bedrag vastgesteld op 45.579.587 EUR.
Artikel 3. Het in artikel 2 voorzien bedrag zal vrijgemaakt worden op de Rijksmiddelenbegroting van de jaren 2003 tot 2005. De betalingen zullen gebeuren op de rekeningnummer 100-0086791-10 geopend op naam van de Belgische Schatkist in de boekhouding van de Nationale Bank van België.
Artikel 4. Het aandeel van de Nationale Bank van België stemt overeen met het bedrag, vermeld in het eindverslag van de Studiecommissie betreffende het lot van de bezittingen van de leden van de Joodse Gemeenschap van België, geplunderd of achtergelaten tijdens de oorlog 1940-1945, en wordt vastgesteld op 511.404 BEF (waarde 1945).
Na toepassing van de coëfficiënt, bedoeld in artikel 1, wordt het geactualiseerd bedrag vastgesteld op 314.145 EUR.
Artikel 5. De Nationale Bank van België maakt het bedrag, bedoeld in artikel 4, over op rekeningnummer 100-0086791-10 geopend op naam van de Belgische Schatkist in de boekhouding van de Nationale Bank van België, ten laatste op 31 december 2002.
Artikel 6. Dit protocol treedt in werking op 19 juni 2002.
Gedaan te Brussel, op 27 juni 2002 in drie exemplaren, waarvan iedere partij erkent een exemplaar ontvangen te hebben.
Voor de Federale Staat :
De Minister van Financiën,
D. REYNDERS
Voor de Nationale Bank van België :
De Gouverneur,
G. QUADEN
Voor de Nationale Commissie van de Joodse Gemeenschap van België voor de Restitutie v.z.w. :
De Medevoorzitters,
D. SUSSKIND en E. RINGER
Gezien om te worden gevoegd bij Ons besluit van 2 augustus 2002 tot uitvoering van de artikelen 10 en 12 van de wet van 20 december 2001 betreffende de schadeloosstelling van de leden van de Joodse Gemeenschap van België voor hun goederen die werden geplunderd of achtergelaten tijdens de oorlog 1940-1945.
ALBERT
Van Koningswege :
De Minister van Financiën,
D. REYNDERS

Bijlage 2
OVEREENKOMST
Deze overeenkomst geldt als protocol in de zin van artikel 10 van de wet van 20 december 2001 betreffende de schadeloosstelling van de leden van de Joodse Gemeenschap van België voor hun goederen die werden geplunderd of achtergelaten tijdens de oorlog 1940-1945.
Tussen :
I. De verzekeringsmaatschappijen naar Belgisch recht :
AGF Belgium Insurance, met zetel Lakenstraat 35, in 1000 Brussel
DVV Verzekeringen, met zetel Livingstonelaan 6, in 1000 Brussel
AXA Belgium, met zetel Vorstlaan 25, in 1170 Brussel
Delta Lloyd Life, met zetel Pleinlaan 15, in 1050 Brussel
FB Verzekeringen, met zetel Wolvengracht 48, in 1000 Brussel
Fortis AG, met zetel Emile Jacqmainlaan 53, in 1000 Brussel
Generali Belgium, met zetel Louisalaan 149, in 1050 Brussel
ING Insurance, met zetel Desguinlei 92, in 2018 Antwerpen
KBC Verzekeringen, met zetel Waaistraat 6, in 3000 Leuven
Mercator Verzekeringen, met zetel Kortrijksesteenweg 302, in 9000 Gent
Nationale Suisse, met zetel Tweekerkenstraat 14, in 1000 Brussel
P&V Verzekeringen, met zetel Koningsstraat 151, in 1210 Brussel
Winterthur, met zetel Kunstlaan 56, in 1000 Brussel
Zelia Verzekeringen, met zetel de Meeûssquare 37, in 1000 Brussel
Zurich Compagnie d'Assurances sur la Vie, Belgische vestiging van een Zwitserse onderneming,
met zetel Austrasse 46, in Zurich en de hoofdzetel in België is gevestigd Lloyd Georgelaan 7, in 1000 Brussel
hierna "de Verzekeraars" genoemd,
hier vertegenwoordigd door de Beroepsvereniging der Verzekeringsondernemingen, aan wie ze de hierbij gehechte mandaten verleenden om, elk van hun kant, deze overeenkomst te ondertekenen,
en
II. De Nationale Commissie van de Joodse Gemeenschap van België voor de Restitutie, v.z.w., met zetel in de Ducpétiauxlaan 68, in 1060 Brussel.
Wordt het volgende uiteengezet :
1. De Wet van 15 januari 1999 heeft, bij de diensten van de Eerste Minister, een "Studiecommissie over het lot van de tijdens de oorlog 1940-1945 geplunderde of achtergelaten bezittingen van de leden van de Joodse Gemeenschap van België" (hierna "Commissie Buysse » genoemd) opgericht. Die Commissie had als opdracht alle opzoekingswerk te verrichten om « opheldering te brengen over het lot van de in die omstandigheden achtergelaten bezittingen en de Regering daarover verslag uit te brengen binnen de twee jaren die volgen op haar oprichting ». Ze heeft daarna verslag opgemaakt (hierna « Verslag Buysse » genoemd) en het neergelegd in juli 2001.
2. De Wet van 20 december 2001 heeft bij de diensten van de Eerste Minister een « Commissie voor de schadeloosstelling van de leden van de Joodse Gemeenschap van België voor hun goederen die werden geplunderd of achtergelaten tijdens de oorlog 1940-1945, hierna "de Commissie" te noemen » opgericht, die als opdracht heeft de aanvragen tot schadeloosstelling die haar wordt voorgelegd te onderzoeken overeenkomstig de bepalingen van de artikelen 6 en 7 van deze wet.
Artikel 10 van de wet bepaalt dat, binnen een termijn van drie maanden na de inwerkingtreding van deze wet (inwerkingtreding op 19 maart 2002), wordt een protocol gesloten tussen de Nationale Commissie van de Joodse Gemeenschap van België voor de Restitutie v.z.w., de Staat, de financiële instellingen en de verzekeringsmaatschappijen om de bedragen en de coëfficiënt of de coëfficiënten te bepalen waarmee de geactualiseerde waarde ervan berekend kan worden. Dit protocol wordt door de Koning goedgekeurd, bij een besluit genomen na overleg in de Ministerraad. De in het protocol vermelde bedragen worden gestort op een bijzondere rekening die in de boeken van de Nationale Bank van België geopend wordt op naam van de Belgische Schatkist.
3. Vijf verzekeringsmaatschappijen van de groep van de Verzekeraars behoren tot een internationale verzekeringsgroep die, ofwel een akkoord afgesloten heeft met verschillende instanties, zoals de International Commission on Holocaust-Era Insurance Claims (hierna "ICHEIC"), ofwel bedoeld wordt in de Duitse wet van 17 juli 2000 over de oprichting van de German Foundation, om op een globale wijze voor elke groep de problemen te regelen in verband met de niet uitbetaalde verzekeringscontracten in al de landen waar die groep tot in 1945 actief was.
En wordt het volgende overeengekomen :
Protocol
Artikel 1. Onderhavige overeenkomst geldt voor de Joodse Gemeenschap en voor de Verzekeraars als protocol bedoeld in artikel 10 van de wet van 20 december 2001.
Ze zal voorgelegd worden aan de goedkeuring van de Koning, na overleg in de Ministerraad.
Totaal bedrag
Artikel 2. Uit de contacten die de Verzekeraars, voornamelijk door toedoen van de BVVO, gehad hebben met de Joodse Gemeenschap, zijn de twee partijen ex aequo en bono overeengekomen dat het globaal bedrag dat de verzekeringssector als schadeloosstelling aan de verzekerden of hun rechthebbenden zal uitbetalen, die tot hiertoe het kapitaal niet ontvangen hebben voor in België vóór 31 december 1945 onderschreven levensverzekeringen, in 2002, 10.000.000,00 EUR bedraagt.
Verdeling van het totaal bedrag
Artikel 3. De Verzekeraars hebben onderling een verdeling ex aequo en bono afgesproken van het bedrag vermeld in artikel 2. Die verdeling komt voor in Bijlage 1 aan deze overeenkomst, bijlage die integraal deel uitmaakt van de overeenkomst. Elke Verzekeraar verbindt er zich bij deze toe het in Bijlage 1 voor hem vermeldde bedrag te betalen.
Aangepast bedrag
Artikel 4. In de loop van de besprekingen van de Joodse Gemeenschap met de BVVO werd opgemerkt dat één van de twee in het Verslag Buysse vermelde "mogelijke" gevallen die zich konden voordoen bij de "Zurich" Compagnie d'Assurances sur la Vie, ondertussen aanleiding gegeven heeft tot uitbetaling van het bedrag van het verzekerd kapitaal.
Het betaald bedrag beloopt 56.695,17 EUR, en dit bedrag zal bijgevolg afgetrokken worden van het in Bijlage 1 voor Zurich vermeld bedrag.
Omwille van de discretie komen de partijen overeen om de gegevens van de begunstigde en alle modaliteiten van de polis, zoals ze aan de Commissie Buysse meegedeeld werden, in een Bijlage 2 aan deze overeenkomst op te nemen, die enkel bij de exemplaren bestemd voor de Joodse Gemeenschap en voor Zurich zullen gevoegd worden. Een derde origineel exemplaar zal te gelegener tijd aan de Commissie van vereffening gericht worden.
Betaling van het bedrag
Artikel 5. Elk der Verzekeraars verbindt er zich toe het bedrag, voor hem vermeld in Bijlage 1 (verminderd met het in artikel 4 vermeld bedrag voor wat "Zurich" Compagnie d'Assurances sur la Vie betreft), binnen een termijn van 30 dagen te rekenen vanaf de ondertekening van deze overeenkomst te betalen. De betalingen zullen gebeuren op rekening nr. 100-0086791-10 onder kenmerk "Commissie voor schadeloosstelling", bij de Nationale Bank van België geopend op naam van de Belgische Schatkist, krachtens de bepalingen van artikel 10 van de wet van 20 december 2001.
Schuldbevrijdende werking van de betaling
Artikel 6. De partijen komen overeen dat de betaling van het bedrag, vermeld in artikel 5, een schuldbevrijdende werking zal hebben voor het geheel van de betrokken verzekeringsmaatschappijen tegenover de in artikel 6 van de wet van 20 december 2001 bedoelde personen, en brengen voor deze personen van rechtswege het verval mee van het recht op iedere andere aanspraak op teruggave, vergoeding of schadeloosstelling, overeenkomstig artikel 13 van de wet van 20 december 2001.
De Joodse Gemeenschap en de Verzekeraars komen bovendien overeen de Koning te vragen om, bij toepassing van artikel 7, § 2, wanneer Hij de nadere regels bepaalt voor de indiening van de aanvragen tot schadeloosstelling, alsook andere procedureregels bij de Commission voor schadeloosstelling, Hij met name volgende procedureregel bij de door artikel 2 van deze wet opgerichte Commissie verduidelijkt :
« Zodra een Belgische verzekeringsmaatschappij of een buitenlandse verzekeringsmaatschappij met een zetel in België de bevrijdende betaling voorzien in artikel 13 van de wet van 20 december 2001 zal verricht hebben, zal elke aanvraag tot schadeloosstelling, die al zou ingediend zijn op de datum van die betaling, of daarna bij de maatschappij of bij om het even welke andere instantie ingediend worden, met inbegrip van de ICHEIC of de German Foundation, en die zouden beantwoorden aan de in de artikelen 6 en 7 vermelde criteria en voorwaarden, behandeld worden door de Commissie voor schadeloosstelling, opgericht krachtens artikel 2 van deze wet, en zal, in voorkomend geval, enkel het onderwerp zijn van een betaling door deze Commissie. »
Samenwerking
Artikel 7. Sommige verzekeringsmaatschappijen, die behoren tot een groep die een globale overeenkomst gesloten heeft met de ICHEIC of met de German Foundation, hebben doen opmerken dat hun groep al betalingen uitgevoerd had, hetzij individuele, hetzij forfaitaire, om leden van de Joodse Gemeenschap van België schadeloos te stellen.
Zo bepaalt artikel 5a van het akkoord dat gesloten werd tussen de groep Generali en de ICHEIC dat de ICHEIC zich zal gelasten met de regeling van "aIl Generali's commitments under this memorandum for Holocaust-era insurance policies in accordance with ICHEIC standards and decisions excluding commitments of Generali subsidiaries under the German Foundation Initiative and the Dutch Sjoa Foundation, but including without limitation payments of Generali Claims, aIl other humanitarian payments...) and reimbursements to Generali for payments to claimants made by Generali afterJuly 1, 2000 with respect to Generali claims and any judgments and settlements resulting from any litigation or administrative proceeding against Generali in respect of Holocaust-era insurance policies or related claims...) ".
Die ondernemingen aanvaarden de voorrang van de Belgische wetgeving, in België, op de internationale ICHEIC akkoorden en op de Duitse wet van 17 juli 2000 tot oprichting van de German Foundation, en aanvaarden dan ook mee te werken aan de reglementering die het onderwerp van deze overeenkomst is.
Ze hebben evenwel de bedoeling om bij de ICHEIC, bij de German Foundation of bij elke andere instelling die zou gevormd worden om in hun plaats fondsen te innen of te beheren die door de verzekeringsgroepen betaald worden, een aanvraag tot schadeloosstelling in te dienen voor de bedragen die elke verzekeringsmaatschappij al voor België zou betaald hebben of die krachtens deze overeenkomst zullen betaald worden.
De Joodse Gemeenschap verbindt er zich toe mee te werken met de betrokken verzekeringsmaatschappijen, en ook met de Commissie voor schadeloosstelling om, in voorkomend geval, de gewettigde vragen van die ondernemingen te ondersteunen.
Toepasselijk recht en bevoegde rechtbanken
Artikel 8. Deze overeenkomst valt onder het Belgisch recht.
Elke betwisting over de geldigheid, de interpretatie of de uitvoering van deze overeenkomst zal ingediend worden door de Handelsrechtbank van Brussel.
Opgemaakt te Brussel in 16 exemplaren, elke partij erkent een exemplaar gekregen te hebben.
Voor de Nationale Commissie van de Joodse Gemeenschap van België voor de Restitutie :
M. Ringer M. Susskind
Medevoorzitter Medevoorzitter
Voor de Verzekeraars, de Beroepsvereniging der Verzekeringsondernemingen :
M. Dhondt M. Baecker
Directeur-generaal Afgevaardigd Beheerder

Bijlage 1 aan het protocol tussen de Verzekeraars en de Nationale Commissie van de Joodse Gemeenschap voor de Restitutie.
Verdeling van het totaal bedrag voorzien in artikel 2 van bedoeld protocol.
De Verzekeraars zijn, ex aequo et bono, wat volgt overeengekomen voor de vereffening van het in artikel 2 bedoeld totaal bedrag, met dien verstande dat elke Verzekeraar zich enkel verbindt om het bedrag te betalen dat naast zijn naam vermeld is :
Voor de raadpleging van de tabel, zie beeld
Gezien om te worden gevoegd bij Ons besluit van 2 augustus 2002 tot uitvoering van de artikelen 10 en 12 van de wet van 20 december 2001 betreffende de schadeloosstelling van de leden van de Joodse Gemeenschap van België voor hun goederen die werden geplunderd of achtergelaten tijdens de oorlog 1940-1945.
ALBERT
Van Koningswege :
De Minister van Financiën
D. REYNDERS

Bijlage 3
Protocolovereenkomst betreffende de schadeloosstelling van de leden van de Joodse Gemeenschap van België
Overeenkomstig de wet van 20 december 2001 betreffende de schadeloosstelling van de leden van de Joodse Gemeenschap van België voor hun goederen die werden geplunderd of achtergelaten tijdens de oorlog 1940-1945,
Tussen :
De volgende kredietinstellingen :
ABN AMRO Bank
AGF Belgium Bank
Bank Brussel Lambert (ING)
Bank Degroof
Bank Nagelmackers 1747
Belgolaise
BNP Paribas
CBC Bank
Crédit Lyonnais, dochteronderneming Crédit Lyonnais NV (Frankrijk) (1)
Deutsche Bank
Dexia Bank (incl. Artesia Banking Corp. en Eural)
Fortis Bank (incl. ASLK)
KBC Bank (incl. Antwerpse Diamantbank)
Lloyds TSB Bank
JP Morgan Chase Bank
Realbanque
Santander Central Hispano
Generale Maatschappij (ex SFBD)
VDK Spaarbank
Wells Fargo Bank US
hierna « de banken »
hier vertegenwoordigd door de Belgische Vereniging van Banken, waarvan de zetel gevestigd is Ravensteinstraat 36 bus 5, in 1000 Brussel, hier vertegenwoordigd door de Heer Karel De Boeck, Voorzitter.
en
de Nationale Commissie van de Joodse Gemeenschap van België voor de Restitutie, vzw, met zetel in de Ducpétiauxlaan 68, in 1060 Brussel
hierna de « Joodse Gemeenschap » genoemd, hier vertegenwoordigd door de Heren David Susskind en Eli Ringer, medevoorzitters.
in aanwezigheid van de Heer Didier Reynders, Minister van Financiën,
Werd het volgende overeengekomen :
1. Onderwerp van het protocol
Dit protocol heeft tot doel, met het akkoord van de partijen, het bedrag te bepalen dat zal betaald worden als schadeloosstelling aan de leden van de Joodse Gemeenschap van België voor de tijdens de oorlog 1940-1945 achtergelaten banktegoeden, in overeenstemming met de modaliteiten voorzien in de wet van 20 december 2001.
2. Bepaling van het totaal bedrag
De partijen komen overeen dat het globaal bedrag dat door de banken zal betaald worden, ex aequo en bono, bepaald werd als het resultaat van een overleg tussen de banken, vertegenwoordigd door de Belgische Vereniging van Banken, en de vertegenwoordigers van de Joodse Gemeenschap.
Het aldus bekomen totaal bedrag komt overeen met de heractualisering van het voor de banksector weerhouden globaal bedrag, verminderd met het aandeel van de Royal Bank of Scotland.
Dit bedrag dekt ook het aandeel van de banken die deel uitmaken van een groep die een globaal akkoord bereikt heeft met de ICHEIC of met de German Foundation. Bedoelde groepen hebben al betalingen gedaan voor de schadeloosstelling van de leden van de Joodse gemeenschap van België. De betrokken banken erkennen de voorrang van de Belgische wetgeving, in België, op de internationale ICHEIC akkoorden en op de Duitse wet van 17 juli 2000 tot oprichting van de German Foundation, en aanvaarden dan ook mee te werken aan de reglementering die het onderwerp van dit protocol is. Ze hebben evenwel het voornemen om bij de ICHEIC, bij de German Foundation of bij elke andere instelling die zou gevormd worden om in hun plaats de door de banken betaalde fondsen te innen of te beheren, een vraag tot schadeloosstelling in te dienen voor de bedragen die de banken voor België al zouden betaald hebben of die ze krachtens dit protocol nog zullen betalen.
De Joodse gemeenschap verbindt er zich toe mee te werken aan het opeisen van de door de in vorige alinea bedoelde banken te betalen bedragen, en door de buitenlandse banken (onder meer Wells Fargo Bank US), en ook met de Commissie voor schadeloosstelling, in voorkomend geval, om de gewettigde vragen van de door dit protocol gebonden banken te ondersteunen.
Globaal voor de banken overeengekomen bedrag
Het globaal voor de banken overeengekomen bedrag is 53.781.416,62 EUR.
Overhandiging van de verzegelde stukken en aftrek van een forfaitair bedrag
De banken verbinden zich er toe om de Minister van Financiën, uiterlijk op 16 september 2002, alle door de Studiecommissie geïdentificeerde verzegelde stukken (positieve en mogelijke identificaties) te overhandigen.
Omwille van die restitutie wordt tussen de partijen overeengekomen dat een forfaitair bedrag van 700.000 eur in mindering gebracht wordt van het globaal voor de banken overeengekomen bedrag.
Het door de banken die het protocol onderschrijven te betalen bedrag beloopt dus 53.081.416,62 EUR.
Betalingsmodaliteiten
Dit bedrag moet volgestort worden door de afzonderlijke betalingen van elke betrokken bank. De afzonderlijke bedragen per bank worden vastgesteld volgens een door de Vereniging bepaalde verdeelsleutel. De per betrokken bank afzonderlijk te betalen bedragen zijn opgenomen in het document in bijlage.
De banken die dit protocol onderschrijven verbinden zich er toe hun aandeel zoals bepaald in het document in bijlage te betalen op de rekening nummer 100-0086791-10, bij de Nationale Bank van België geopend op naam van de Belgische Schatkist.
De betalingen moeten uiterlijk op 31 december 2002 toekomen. Wat de betalingen betreft, bedoeld in het addendum, uit te voeren door de Deutsche Bank en/of het Crédit Lyonnais, zal elke laattijdige betaling aanleiding geven tot het aanrekenen van interesten tegen de wettelijke rentevoet.
De Belgische Vereniging van Banken waarborgt de betaling van de Wells Fargo Bank US tegen 31 december 2002 en zal, in voorkomend geval, in de rechten optreden overeenkomstig de artikelen 1249 en 1250 van het Burgerlijk Wetboek.
3. Delgend karakter van de betaling
De partijen komen overeen dat de betaling van het door elk van de betrokken banken verschuldigd bedrag, van delgende aard zal zijn voor elk van de dit protocol onderschrijvende banken en voor elke vennootschap die tot dezelfde groep behoort, ten overstaan van de personen bedoeld in artikel 6 van de wet van 20 december 2001 en ambtshalve de rechten van die personen om elke andere vraag tot restitutie, schadeloosstelling of vergoeding in te dienen opheft, overeenkomstig artikel 13 van de wet van 20 december 2001.
Elke andere vraag tot restitutie, tot schadeloosstelling of tot vergoeding, ingediend vóór de wet of na de wettelijke termijn voorzien in de wet van 20 december 2001 valt ook onder toepassing van het artikel 13.
Tenuitvoerlegging van het protocol
Dit protocol geldt als overeenkomst tussen de partijen.
Toepasselijk recht en bevoegde rechtbanken
Deze overeenkomst valt onder het Belgisch recht.
Elke betwisting over de geldigheid, de interpretatie of de uitvoering van deze overeenkomst zal ingediend worden bij de Rechtbanken van Brussel.
Opgemaakt te Brussel, in 22 exemplaren, elke partij erkend een exemplaar gekregen te hebben.
16 juli 2002.
Voor de banken :
De Belgische Vereniging van Banken,
K. DE BOECK
Voor de Nationale Commissie van de Joodse gemeenschap van België voor de Restitutie v.z.w. :
D. SUSSKIND
E. RINGER
_______
Nota
(1) Zie addendum in bijlage.

ADDENDUM AAN DE PROTOCOLOVEREENKOMST BETREFFENDE DE SCHADELOOSSTELLING VAN DE JOODSE GEMEENSCHAP
Het eindverslag van de Studiecommissie over het lot van de tijdens de oorlog 1940-1945 door de leden van de Joodse gemeenschap van België geplunderde of achtergelaten bezittingen heeft de Deutsche Bank N.V. aangewezen als erfgerechtigde van de "liggende Joodse tegoeden" van de ex-Crédit Lyonnais Belgium.
Bij overnameovereenkomst van 28 mei 1990 tussen het crédit Lyonnais N.V. (naar Frans recht) en het Crédit Lyonnais Belgium N.V. (naar Belgisch recht), werden sommige actieve bestanddelen (van de Belgische dochteronderneming) van het Crédit Lyonnais, vennootschap naar Frans recht, overgeheveld naar het Crédit Lyonnais Belgium N.V., daarna overgenomen door de Deutsche Bank in 1999.
Bedoelde overeenkomst is het onderwerp van verschillende interpretaties van de Deutsche Bank N.V. en van het Crédit Lyonnais N.V. (naar Frans recht) over het gevolg dat moet gegeven worden aan de bestanddelen van de "liggende Joodse tegoeden" die door de commissie Buysse geïdentificeerd werden als in de periode 1940-1945 ingeschreven in de boeken van de dochteronderneming van het Crédit Lyonnais. Er kan dan ook niet uitgemaakt worden, op de dag van de ondertekening van de protocolovereenkomst, of het geactualiseerd bedrag van de bij de Deutsche Bank openstaande Joodse tegoeden gedeeltelijk door het Crédit Lyonnais N.V. (naar Frans recht) moet overgenomen worden.
Het geactualiseerd bedrag waarvan sprake beloopt 1.064.136 EUR.
De Deutsche Bank, N.V., vertegenwoordigd door de Heer Yves Delacollette, voorzitter van de Directieraad, en het Crédit Lyonnais N.V., vertegenwoordigd door de Heer Michel Gullentops, Directeur van de Belgische dochteronderneming, verbinden er zich toe in te staan voor het bedrag van 1.064.136 EUR mocht hun bank moeten instaan voor de vereffening van dit bedrag in geschil (hetzij bij onderling akkoord, hetzij bij ontstentenis ervan, na afloop van een gerechtelijke procedure).
Opgemaakt te Brussel op 11 juli 2002 in 3 exemplaren.
M. GULLENTOPS, Y. DELACOLLETTE,
Voor Crédit Lyonnais N.V. voor Deutsche Bank N.V.

JOODSE BANKTEGOEDEN - MANDATEN
Voor de raadpleging van de tabel, zie beeld
Gezien om te worden gevoegd bij Ons besluit van 2 augustus 2002 tot uitvoering van de artikelen 10 en 12 van de wet van 20 december 2001 betreffende de schadeloosstelling van de leden van de Joodse Gemeenschap van België voor hun goederen die werden geplunderd of achtergelaten tijdens de oorlog 1940-1945.
ALBERT
Van Koningswege :
De Minister van Financiën,
D. REYNDERS



 

BEGIN

 
 
K.B. 4 SEPTEMBER 2002

Koninklijk besluit betreffende de werking en het secretariaat van de Commissie voor de schadeloosstelling van de leden van de Joodse Gemeenschap van België voor hun goederen die werden geplunderd of achtergelaten tijdens de oorlog 1940-1945


ALBERT II, Koning der Belgen,
Aan allen die nu zijn en hierna wezen zullen, Onze Groet.
Gelet op de wet van 20 december 2001 betreffende de schadeloosstelling van de leden van de Joodse Gemeenschap van België voor hun goederen die werden geplunderd of achtergelaten tijdens de oorlog 1940-1945, inzonderheid op de artikelen 2, § 3, 4 en 5;
Gelet op het advies van de Inspecteur van Financiën, gegeven op 29 mei 2002;
Gelet op de akkoordbevinding van Onze Minister van Begroting van 17 juli 2002;
Gelet op de akkoordbevinding van Onze Minister van Ambtenarenzaken van 30 juli 2002;
Gelet op de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973, inzonderheid op artikel 3, § 1, vervangen bij de wet van 4 juli 1989 en gewijzigd bij de wet van 4 augustus 1996;
Gelet op de hoogdringendheid;
Overwegende dat de wet van 20 december 2001 in werking is getreden op 19 maart 2002 en dat de termijn van drie maanden om het in artikel 10 bedoelde protocol te sluiten, eveneens op die datum een aanvang nam;
Overwegende dat het mandaat van de Commissie voor de schadeloostelling van de leden van de Joodse Gemeenschap van België voor hun goederen die werden geplunderd of achtergelaten tijdens de oorlog 1940-1945 effectief wordt op de datum van het sluiten van dit protocol en dat het koninklijk besluit van 2 augustus 2002 tot uitvoering van de artikelen 10 en 12 van de wet van 20 december 2001 betreffende de schadeloosstelling van de leden van de Joodse Gemeenschap van België voor hun goederen die werden geplunderd of achtergelaten tijdens de oorlog 1940-1945 in werking treedt op 9 september 2002 en dat bijgevolg de bepalingen inzake de werking van de Commissie en haar secretariaat zo gauw mogelijk moeten voorzien worden om hen toe te laten hun werkzaamheden aan te vatten;
Op de voordracht van Onze Eerste Minister,
Hebben Wij besloten en besluiten Wij :
Artikel 1. Voor de toepassing van dit besluit wordt verstaan onder « de Commissie », de Commissie voor de schadeloosstelling van de leden van de Joodse Gemeenschap van België voor hun goederen die werden geplunderd of achtergelaten tijdens de oorlog 1940-1945, opgericht bij de wet van 20 december 2001 betreffende de schadeloosstelling van de leden van de Joodse Gemeenschap van België voor hun goederen die werden geplunderd of achtergelaten tijdens de oorlog 1940-1945.
Art. 2. De vergaderingen van de Commissie worden voorgezeten door de voorzitter of zijn plaatsvervanger.
De beslissingen worden genomen met meerderheid van stemmen. Bij staking van stemmen is de stem van de voorzitter beslissend.
Art. 3. Het secretariaat van de Commissie wordt waargenomen door statutaire of contractuele personeelsleden die belast worden met de afwerking van een project, in toepassing van het koninklijk besluit van 19 oktober 1999 tot toekenning van een toelage aan de personeelsleden belast met de ontwikkeling van een project in sommige overheidsdiensten.
Art. 4. De leden van de Commissie, de vertegenwoordigers van de Joodse Gemeenschap van België die aan de vergaderingen van de Commissie deelnemen, de experten waarop de Commissie een beroep kan doen en de personeelsleden van het secretariaat zijn gehouden aan de vertrouwelijkheid van de individuele gegevens verzameld in het kader van het onderzoek van de aanvragen tot schadeloosstelling.
Art. 5. De Commissie stelt zijn huishoudelijk reglement op dat ter goedkeuring aan de Eerste Minister wordt voorgelegd.
Art. 6. § 1. Aan de leden van de Commissie, aan de vertegenwoordigers van de Joodse Gemeenschap van België die aan de vergaderingen van de Commissie deelnemen en aan de experten wordt een presentiegeld van 37,18 EUR per zittingsdag toegekend.
§ 2. De personen bedoeld in § 1, hebben recht op de terugbetaling van hun reis- en verblijfskosten, overeenkomstig de bepalingen die ter zake van toepassing zijn op de ambtenaren-generaal van de ministeries op grond van het koninklijk besluit van 18 januari 1965 houdende algemene regeling inzake reiskosten en van het koninklijk besluit van 24 december 1964 tot vaststelling van de vergoeding wegens verblijfskosten toegekend aan de leden van het personeel der ministeries.
Art. 7. Elk jaar, vóór 31 december, stelt de Commissie een verslag op van haar werkzaamheden dat zij aan de Eerste Minister bezorgt.
Art. 8. Dit besluit treedt in werking de dag waarop het in het Belgisch Staatsblad wordt bekendgemaakt.
Art. 9. Onze Eerste Minister is belast met de uitvoering van dit besluit.
Gegeven te Brussel, 4 september 2002.
ALBERT
Van Koningswege :
De Eerste Minister,
G. VERHOFSTADT



 
.

 

BEGIN